Hof van Beroep van Antwerpen verwerpt hoger beroep Denuo-lid inzake milieuheffing recyclageresidu's

Arrest van 22 maart 2022 - een korte schets van de feiten
Op 22 maart 2022 heeft het hof van Beroep van Antwerpen een arrest gewezen in een belangrijke zaak met betrekking tot de milieuheffing en recyclageresidu's waarbij een Denuo-lid is betrokken. Denuo volgt deze zaak op de voet, gelet op de potentiële impact op andere afvalstromen.
Ter achtergrond schetsen we nog even de feiten: één van onze leden is vergund voor het sorteren van containerafvalstoffen en is gespecialiseerd in de inzameling en verwerking van papier- en kartonafval. Dit afval wordt na sortering afgevoerd naar verwerkers gelegen zowel in als buiten het Vlaamse Gewest en dit met het oog op recyclage.
Bij brief van 27 juli 2017 werd ons lid meegedeeld dat het heffingsplichtig was met ingang van 1 juli 2017 voor het overbrengen van afvalstoffen buiten Vlaanderen, met name al dan niet selectief ingezameld papier- en kartonafval waarbij een restfractie wordt gestort of verbrand in toepassing van artikel 46,§1, 19° van het Materialendecreet. Er werd meegedeeld dat een aangifteformulier ter beschikking zou worden gesteld.
Op 4 juni 2018 werd een controle uitgevoerd op de ophaalactiviteiten van ons lid. De OVAM stelde vast uit de registers dat papier- en kartonafval werd afgevoerd door ons lid onder meer buiten het Vlaams Gewest. Tegelijk werd er een nulaangifte ingediend voor het derde en vierde kwartaal 2017. Volgens de OVAM was het Denuo-lid voor de residu's die vrijkomen bij de verwerking buiten het Vlaams Gewest heffingsplichtig. Bijgevolg werd een navordering toegestuurd.
Deze navordering werd opeenvolgend betwist zowel via een administratief beroep bij de Minister, als voor de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen. In beide gevallen werd het hoger beroep afgewezen.
Tegen het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg van Antwerpen werd daaropvolgend opnieuw hoger beroep aangetekend. De zaak werd gepleit in het voorjaar en het Hof van Beroep velde zijn arrest op 22 maart laatstleden.
Het arrest in hoger beroep: het Hof bevestigt het vonnis van de eerste rechter
Na een korte uiteenzetting van de feiten, een herhaling van het oordeel van de eerste rechter en een overzicht van de vorderingen in hoger beroep, oordeelde het Hof kort samengevat dat de bestreden heffing volgens haar wel degelijk in overeenstemming is met de Vlaamse afvalstoffenregelgeving, de beginselen van het fiscaal recht, het gelijkheidsbeginsel en de Europese regelgeving.
Wat de verenigbaarheid met de Vlaamse afvalstoffenregeling betreft, volgt het Hof van Beroep van Antwerpen net zoals de eerste rechter het standpunt van de OVAM.
Het hof herhaalt de definitie van het begrip "afvalstoffenverwerking" in artikel 3,5° van het Materialendecreet, en ziet geen reden waarom deze bepaling niet van toepassing zou zijn in het kader van milieuheffingen. De verwerking van afvalstoffen zou niet alleen de verwijdering ervan, maar ook de recyclage ervan omvatten. Het Hof gaat er bijgevolg eveneens van uit dat de nuttige toepassing niet vrijgesteld is van een milieuheffing, en lijkt net als de eerste rechter het onderscheid tussen de verschillende opeenvolgende stappen in het recyclageproces (eerst sortering, vervolgens afvoer naar het buitenland voor recyclage, de recyclage zelf, en pas daarna de verwerking van het residu) niet mee te nemen in de beoordeling.
De (latere) decreetwijziging, alsook de verwijzing naar de "verwijderingshandelingen" in artikel 46,§1 eerste lid en artikel 47, eerste lid, 2° van het Materialendecreet zou in voorliggende discussie irrelevant zijn en het tegendeel niet aantonen. Er ligt volgens het Hof dan ook geen schending voor van de Vlaamse afvalstoffenregelgeving.
Specifiek met betrekking tot de berekening van de heffing stelde het Hof dat er geen schending is van het legaliteitsbeginsel, nu de OVAM wel degelijk ertoe gerechtigd is om bij gebrek aan gegevens op grond van artikel 54 van het Materialendecreet een ambtelijke aanslag op te leggen van de heffing die vermoedelijk verschuldigd is, alsook dus de heffing te berekenen op grond van een vermoedelijk gemiddelde van residu na recyclage, en dit zonder het fiscaal recht te schenden.
In de zaak werd eveneens een schending van zowel het Europees recht, alsook een vijfvoudige schending van het gelijkheidsbeginsel opgeworpen. Ook dit werd niet door het Hof van Beroep van Antwerpen weerhouden. Er werd geen prejudiciële vraag gesteld.
Wat de grond van de zaak betreft, wordt het vonnis van de rechter in eerste aanleg aldus bevestigd.
Wat ten slotte de opgelegde administratieve geldboete betreft, stelt het Hof dat ingevolge het Cassatiearrest van 2 oktober 2020 een vordering tot herleiding van de administratieve geldboete wel toelaatbaar is. In deze zaak werd de vordering wel afgewezen, omdat er niet zou gemotiveerd zijn waarom de opgelegde geldboete niet "passend" zou zijn.
Gelet op dit arrest, zal de milieuheffing (en de administratieve boete) dus betaald moeten worden.
Volgende stappen
Denuo is zich bewust van het potentieel precedent dat deze zaak zou kunnen zijn voor andere stromen. Er kan niet worden uitgesloten dat de OVAM zich op dit precedent zou gaan beroepen om ook voor andere stromen nog navorderingen te gaan instellen (in theorie zou de OVAM kunnen teruggaan in de tijd, tot 5 jaar).
Sinds 1 januari 2019 zijn dergelijke heffingen wel niet meer mogelijk, want ondertussen werd op vraag van de federatie de regelgeving gewijzigd. De afvalheffing op papierrecyclageresidu's kan dan ook niet meer worden opgelegd sinds 1 januari 2019. Sindsdien geldt immers een nultarief voor het geval dat het in het Vlaamse Gewest geproduceerde papier- en kartonafval wordt overgebracht naar een vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest met het oog op de nuttige toepassing ervan.
De vraag stelt zich in het licht van het bovenstaande dan ook naar de volgende stappen.
Principieel kan tegen dit arrest nog cassatieberoep worden ingesteld (wat de uitvoering van het arrest evenwel niet opschort). Het Hof van Cassatie treedt niet meer in de beoordeling van de feiten zelf, maar gaat enkel na of de lagere rechter, in dit geval het Hof van Beroep van Antwerpen, de wet al dan niet correct heeft toegepast. Dergelijk cassatieberoep dient ingediend te worden binnen een termijn van 3 maanden na betekening van het arrest, doch is geen garantie op succes.
Gelet op de mogelijke impact voor ganse sector bekijkt Denuo momenteel of een hoger cassatieberoep zinvol is en enige kans op succes heeft. Mocht men beslissen tot indiening van een cassatieberoep en dat laatste succesvol blijken, dan zou de zaak opnieuw gepleit dienen te worden voor een ander Hof van Beroep.
Afhankelijk van het advies dat Denuo hierover zal ontvangen, zullen, na consultatie van het bestuursorgaan en het Denuo-lid in kwestie, desgevallend nog verdere stappen worden gezet in deze zaak. Wij houden u hiervan op de hoogte via onze nieuwsflash.