Batterijenverordening (EU) 2023/1542: Onderzoek van het JRC naar de harmonisatie van de berekening en controle van het gehalte aan gerecycleerde materialen
Artikel 8 van de Batterijenverordening (EU) 2023/1542 verplicht fabrikanten van industriële batterijen > 2 kWh (met uitzondering van uitsluitend externe opslag), van elektrische voertuigen (EV), SLI- en LMT-batterijen om (per model, per locatie en per jaar) het aandeel kobalt (Co), lithium (Li) en nikkel (Ni) in de actieve materialen dat afkomstig is uit afval, alsook het aandeel lood (Pb) dat afkomstig is uit afval, te documenteren.
- Minimale doelstellingen voor het gehalte aan gerecycleerde materialen: in 2031 16% Co, 6% Li, 6% Ni, 85% Pb; in 2036 26% Co, 12% Li, 15% Ni, 85% Pb (herziening mogelijk in 2029).
- Deze verplichting geldt vanaf 18 augustus 2028 (of 24 maanden na de inwerkingtreding van de gedelegeerde handeling) voor industriële batterijen, EV-batterijen en SLI-batterijen; vanaf 2033 voor LMT-batterijen.
- De studie van het JRC bevat de technisch-wetenschappelijke aanbevelingen die als basis moeten dienen voor de toekomstige gedelegeerde handeling. In de studie wordt de waardeketen geanalyseerd, worden de bestaande normen en certificeringssystemen onder de loep genomen en worden verschillende modellen voor traceerbaarheid beoordeeld aan de hand van zes criteria: bedrijfscontinuïteit en concurrentievermogen, milieuprestaties, consumentenvertrouwen, controleerbaarheid en administratieve lasten.
Analyse rond drie technische bevindingen
- De waardeketens van Li, Ni, Co en Pb zijn geglobaliseerd en dynamisch: leveranciers kunnen in de loop van het jaar veranderen en één en dezelfde speler kan voor één en dezelfde grondstof meerdere leveranciers in verschillende landen hebben.
- De mate waarin nieuwe en gerecycleerde materialen worden gemengd, varieert sterk per metaal: lood (afkomstig uit loodzuurbatterijen) heeft in Europa al een recyclagepercentage in een gesloten kringloop van meer dan 80%, terwijl nikkel en kobalt vermengd zijn met veel grotere industriële stromen (staal, katalysatoren), wat de traceerbaarheid bemoeilijkt.
- Er bestaat geen betrouwbare, nauwkeurige en reproduceerbare technische methode om het gehalte aan gerecycleerd metaal in een eindproduct rechtstreeks te meten: de controle moet daarom uitsluitend gebaseerd zijn op de documentatie en de contractuele traceerbaarheid, en niet op een fysisch-chemische analyse van het product.
Drie benaderingen van traceerbaarheid onder de loep genomen
- Materiaalbalans (mass balance) met een voortschrijdend gemiddelde dat uitsluitend op het niveau van de batterijfabrikant (de laatste schakel in de keten) wordt berekend. De spelers in de toeleveringsketen (recyclers, producenten van actieve materialen...) moeten van hun kant een model van scheiding of gecontroleerde vermenging toepassen om de traceerbaarheid van het gerecycleerde materiaal tot aan dit stadium te waarborgen.
- Dezelfde aanpak, uitgebreid naar alle spelers in de keten.
- Materiaalbalans op locatieniveau, met afstemming van de volumes en een systeem voor de toewijzing van kredieten (varianten: verwerking in loon, uitsluiting van materialen die buiten het toepassingsgebied van artikel 8 vallen, vrije toewijzing of billijke verdeling per economische zone).
Het onderzoek is met name gebaseerd op de ISO 22095-norm (chain of custody) en op de EN 45557-norm betreffende de beoordeling van het gehalte aan gerecycleerde materialen in energiegerelateerde producten. Geen enkele optie bleek beter te zijn dan de andere: de varianten die een materiaalbalans combineren met de toekenning van kredieten behalen echter de beste resultaten op het gebied van bedrijfscontinuïteit, concurrentievermogen en milieuvoordelen. Opgemerkt moet worden dat hoe meer het model gericht is op het behoud van de identiteit (al dan niet toegestane vermenging van afval van verschillende oorsprong en nieuw materiaal), hoe meer de operationele druk op de recycler en de verwerker komt te liggen (scheiding van de stromen).
Het rapport beveelt geen enkele specifieke optie aan, maar biedt twee berekenings- en verificatiemodellen die direct kunnen worden gebruikt als uitgangspunt voor de besprekingen over de komende gedelegeerde handeling. De volgende stap met betrekking tot de berekeningsmethoden bestaat dan ook uit de goedkeuring daarvan (in principe eind augustus). De studie van het JRC dient als referentie en de Europese Commissie is bevoegd om van de aanbevelingen daarvan af te wijken.
Link naar het onderzoek van het JRC: Batteries- JRC study on harmonised rules for the calculation - Article 8 | Denuo
Opmerkingen:
a) „"erwerking in loon”: een klant die zijn eigen afval/gerecycleerde materialen aanlevert, kan in ruil daarvoor een hoger aandeel gerecycleerd materiaal terugkrijgen in het product dat hem toekomt.
b) Uitsluiting van materialen die buiten het toepassingsgebied van artikel 8 vallen: aan output die bestemd is voor producten die niet onder artikel 8 vallen, kan een gerecycled gehalte van nul (0%) worden toegekend, teneinde het beschikbare gerecyclede materiaal te concentreren op de gereguleerde batterijen.
c) Vrije toewijzing: volledige vrijheid om het gerecycleerde gehalte toe te wijzen aan elke uitstroom, ongeacht de bestemmingsmarkt (EU of derde landen), met de mogelijkheid om ongebruikte kredieten over te dragen naar de volgende periode.
d) Billijke verdeling per economische zone: toewijzingsvrijheid vergelijkbaar met optie c), maar met een maximum: het aan producten bestemd voor de EU-markt toegekende gerecycleerde gehalte mag het werkelijke gemiddelde gerecycleerde gehalte van alle uitgangen van de locatie niet overschrijden, om te voorkomen dat de kredieten uitsluitend op de Europese markt worden geconcentreerd ten koste van andere markten.