Denuo overweegt beroep tegen vergunning nieuwe ISVAG-oven
Op 31 juli 2020 keurde Vlaams minister van Omgeving Zuhal Demir een vergunning voor een nieuwe verbrandingsinstallatie van ISVAG goed. De vergunde capaciteit zou stijgen van de huidige 159 kTon tot 190 kTon per jaar.
Verschillende van onze leden hebben gevraagd om als federatie hiertegen in beroep te gaan. Denuo legt deze vraag voor aan de leden van de Raad van Bestuur, die gevraagd worden hun mening (ja of neen) te bezorgen vóór donderdag 3 september 2020 om 12.00 uur. Onze demarche kadert in één van de hoofddoelstellingen van Denuo: het werken aan een level playing field tussen intercommunales en de privé-sector. Het kan voor ons niet dat er d’office een omgevingsvergunning wordt toegekend aan een intercommunale voor het verwerken van bedrijfsafval, terwijl verschillende van onze leden hier ook perfect toe in staat zijn, maar zelfs geen kans krijgen zich hiervoor kandidaat te stellen.
Wat zijn de overige argumenten voor een mogelijk beroep?
ISVAG krijgt een capaciteit vergund voor het verbranden van bedrijfsafval, zonder dat er engagementen bestaan bij de private sector om dat afval aan te leveren.
In het HAGBA 2016-2022 wordt onder punt 9.2. een inperking van de verbrandingscapaciteit naar voren geschoven. ISVAG heeft in dit plan een vergunning voor 159 kTon, de nieuwe oven krijgt een vergunning voor 190 kTon. Het is onduidelijk hoe deze bijkomende verwerkingscapaciteit rijmt met de ambities in het HAGBA (en het Vlaams Regeerakkoord). Tenzij dat andere verbrandingsinstallaties een reductie van hun capaciteit zien.
Vraag is hoe de gehanteerde vergunningspolitiek verenigbaar is met de mededingingsregels. De omgevingsvergunning kent namelijk de integrale verwerkingscapaciteit voor het ‘ISVAG-verwerkingsgebied’ toe aan ISVAG alleen.
Er worden twee afwijkingen van de algemene vergunningsvoorwaarden goedgekeurd, die in het licht van het gelijkheidsbeginsel niet vanzelfsprekend zijn.
Bij de opmaak van het MER werd verondersteld dat de gelijktijdige werking van de bestaande en nieuwe installatie beperkt zou blijven tot 12 maanden, maar “met voortschrijdend inzicht blijkt deze periode nu langer dan eerst voorzien.” Dit maakt het MER achterhaald.
Er kunnen ernstige vraagtekens worden geplaatst bij 1) de ligging, waarbij de oostelijke rand van de site volgens het gewestplan in een natuurgebied ligt; 2) de afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -projecten van het Departement Omgeving gaf een ongunstig advies o.b.v. de grootschaligheid van het éérste plan (januari 2019) en de huidige aanvraag heeft vergelijkbare dimensies; 3) het MER dat géén rekening houdt met de significant grotere omvang van de vergunde bebouwing; 4) de impact op een beschermd dorpszicht; en 5) de mobiliteitsstudie die de bijkomend vergunde capaciteit niet meeneemt in simulaties.
Dit dossier is een gevoelig dossier, ook binnen de partij van de vergunnende minister zelf – zo is de burgemeester van Aartselaar, dat al aankondigde in beroep te zullen gaan, eveneens N-VA-lid. We proberen een werkrelatie uit te bouwen met het kabinet Demir en hoewel het niet zeker is dat een beroep van Denuo inzake deze vergunning die relatie hypothekeert, zeker is dat het géén positieve impact zal hebben. Anderzijds zijn de tegemoetkomingen in recente beslissingen (e.g. Materialendecreet) niet van die aard om van een groot potentieel verlies te kunnen spreken.
We kijken uit naar de stellingnames door de leden van de Raad van Bestuur en zullen op basis hiervan al dan niet naar de Raad voor Vergunningsbetwistingen trekken voor beroep.