Ecotoxiciteit HP 14: inschatting via biobeschikbaarheid?
De Verordening 2017/997 bepaalt de werkwijze om de ecotoxiciteit (HP14) te bepalen van de stoffen ingedeeld als (1) ozonafbrekend (H420), (2) aquatisch acuut (H400) of (3) aquatisch chronisch (H410, H411, H412). Hiervoor werden berekeningsformules ontwikkeld om de concentraties met wegingsfactoren te combineren in functie van de toxiciteit van de stoffen.
Het is allesbehalve eenvoudig om deze specifieke organische of anorganische componenten in afval te identificeren en hun concentraties te bepalen. Meestal beschikt men enkel over elementen voor de anorganische componenten (vb. Cu en niet CuCl2) en over groepen van componenten voor de organische stoffen (gehalogeneerde, alifatische, aromatische…). Hierdoor is het meestal omslachtig (en duur) om de berekeningen uit te voeren om een afvalsoort al dan niet als ecotoxisch te classificeren.
Een alternatieve methode bestaat uit ecotoxicologische testen. Men verwijst hier naar drie verschillende goed gestandaardiseerde testen op bacteriën (microtox), algen en dapnia (een kleine schaaldier). De testen worden uitgevoerd op eluaten (gestandaardiseerde schudtest van 24 uur in een verhouding L/S van 10). De nadelen van deze testen zijn dat ze de acute toxiciteit (letaal effect) meten en dat ze relatief lang duren (vb. 24 + 72h voor algen).
OVAM heeft in samenwerking met VITO en de KULeuven een derde methode onderzocht voor de evaluatie van de ecotoxiciteit van anorganische stoffen in het aquatisch milieu: de biobeschikbaarheid.
Deze methode bestaat uit de chemische analyse van de basiscomponenten in het eluaat, na een schudtest zoals voorzien bij de ecotoxiciteitstesten. Voor de maximale toegelaten concentraties om een afvalstof nog steeds als niet-gevaarlijk te rangschikken heeft men een gemiddelde oplosbaarheid van 5% waargenomen voor de minerale componenten en een omrekening gedaan in functie van de toegelaten concentraties van de modelstoffen en hun ecotoxiciteit (litteratuur). De KULeuven heeft deze methode begin december bij OVAM voorgesteld, met o.a. een lijst van maximale concentraties.
Leden die bezig zijn met de karakterisering van hun complexe afvalstoffen zijn gevraagd om hun analyseresultaten tot eind januari met OVAM/KULeuven te delen om ervaring op te bouwen en de methodologie te valideren.
De volgende vergadering zal in de tweede helft van februari plaatsvinden.
Hieronder vindt u de presentatie die KULeuven tijdens de presentatie aan OVAM heeft gebruikt: