ENQUÊTE: Zal uw bedrijf economische werkloosheid voor arbeiders en bedienden inroepen?
Sinds 1 september 2020 kunnen sommige bedrijven niet langer tijdelijke werkloosheid wegens overmacht corona inroepen (zie ons artikel over dit onderwerp). Zij kunnen nu tijdelijke werkloosheid om economische redenen inroepen (hierna 'economische werkloosheid' genoemd).
Hoewel de regeling tijdelijk is versoepeld (zie hetzelfde artikel als hierboven) moet een (sector- of bedrijfsspecifieke) CAO of een bedrijfsplan worden afgesloten om voor bedienden een beroep op economische werkloosheid te kunnen doen. Bedrijven en sectoren die een dergelijke CAO niet hebben afgesloten, kunnen een beroep doen op CAO 147/147bis. CAO nr. 147 werd aan het begin van de COVID19-crisis afgesloten door de sociale partners, die nu een verlenging met terugwerkende kracht van deze CAO zijn overeengekomen, en dat van 1 juli 2020 tot 31 december 2021.
Deze CAO voorziet in een door de werkgever te betalen aanvullende uitkering van 5,63 EUR en geeft toegang tot de klassieke economische werkloosheidsregeling voor werknemers en tot de overgangsregeling voor corona. Het is de bedoeling dat de CAO van toepassing is op alle vormen van economische werkloosheid voor werknemers, ook als de overheid besluit de overgangsregeling voor corona na 31 december 2020 te verlengen of een nieuwe regeling op basis van tijdelijke werkloosheid in te voeren. Hoewel de CAO nog niet is ondertekend, aanvaard de RVA al aanvragen voor tijdelijke werkloosheid om economische redenen op basis van CAO 147/147bis.
De sociale fondsen van de paritaire comités 142.01, 02, 03 en 04 voorzien in een ander bedrag voor de aanvullende uitkering voor economische werkloosheid:
142.01: 6,35 EUR (eerste 50 dagen door het Fonds) en vervolgens 4,00 EUR door de werkgever (regeling gewijzigd in 2020 naar aanleiding van corona, zie artikel over dit onderwerp).
142.02: 6,00 EUR uit het Fonds
142.03: 7,71 EUR uit het Fonds
142.04: 5,00 EUR uit het Fonds
CAO 147 bepaalt ook dat indien de aanvullende uitkering voor arbeiders meer dan 5,63 EUR bedraagt, de bedienden van die onderneming dezelfde aanvullende uitkering krijgen als de arbeiders. Dit zal dus het geval zijn voor bedrijven waarvan de arbeiders vallen onder de paritaire subcomités 142.02, 142.03 en 142.01 (alleen voor de eerste 50 dagen).
Bedrijven die zowel bedienden van PC 200 als arbeiders van PSC 142.01 (vanaf de 51ste dag) of van PSC 142.04 tewerkstellen, zullen daarentegen hun bedienden een hogere aanvullende uitkering voor economische werkloosheid uitkeren dan de arbeiders. Daarom stelt zich de vraag of de aanvullende uitkeringen voor tijdelijke economische werkloosheid voor arbeiders in PSC 142.01 (vanaf dag 51) en PSC 142.04 best niet tijdelijk moeten worden verhoogd. Om te beoordelen of dit probleem zich regelmatig voordoet, nodigen wij bedrijven die zowel arbeiders in PSC 142.01 of 142.04 als bedienden in PC 200 in dienst hebben en die economische werkloosheid voor zowel arbeiders als bedienden hebben gevraagd/zullen aanvragen, uit om hierover contact op te nemen met Raphaëlle Pollet.