Grondachtige VLAREMA-stromen moeten zelfde spelregels krijgen als VLAREBO
Wanneer grondachtige bouwstoffen in een werk gebruikt worden, waarbij er geen fysisch of planmatig onderscheid met de omliggende bodem kan gemaakt worden, zou je de normen én bestemmingen van bouwkundig bodemgebruik uit VLAREBO moeten respecteren. Dat lijkt toch logisch?
Op de werkgroep CGR's van 20/11/2018 is nogmaals aangedrongen op een gelijk speelveld tussen bouwkundig bodemgebruik (VLAREBO) en grondachtige bouwstoffen (VLAREMA). Vandaag zijn de chemische normen niet gelijk én zijn de toepassingen beperkt voor de ene maar niet voor de andere. We zijn dit nogmaals gaan aankaarten bij het kabinet Schauvliege, en daar zitten ze volledig op onze golflengte. Nu moet dat nog vertaald worden in VLAREMA.
Het is een vaststelling dat bij VLAREBO-stromen de focus ligt op het milieuhygiënische luik en dat bij VLAREMA-stromen veel meer belang gehecht wordt aan het bouwtechnische. Wanneer de eindbestemming dezelfde is, zou de lat voor beide wetgevende kaders gelijk moeten liggen. Zolang er twee maten en twee gewichten gelden zal de probleembezitter in de verleiding komen om te shoppen. Enkel wanneer de verschillen weggewerkt zijn, zal het shopgedrag niet meer lonen.
Wat de CGR's ook willen bekomen, is de mogelijkheid om batchgewijs een bestemming te kiezen waarbij géén of minimale bouwtechnische eisen opgelegd worden (bijvoorbeeld in een dijklichaam of als drainagemateriaal). Zo zou de Copro/Certipro-certificatie de ene keer wel en de andere keer niet van toepassing zijn, terwijl we toch voldoen aan de einde-afval bepalingen. Het is immers de bestemming die de bouwtechnische eisen al of niet oplegt en, terwijl milieuhygiënische conformiteit steeds gegarandeerd wordt, kan de bouwtechnische kwaliteit batchgewijs fluctueren. De certificatiereglementen zouden in die zin aangepast moeten worden. De geesten moeten hiervoor wel nog rijpen ...