Materialendecreet: 2de fase

Op de laatste ministerraad voor het zomerreces keurde de Vlaamse Regering een ontwerp van wijziging van het Materialendecreet goed. Het Materialendecreet legt de verantwoordelijkheden vast bij de verschillende afvalstromen. Het voorziet daarbij (1) een rechtsgrond voor het doorrekenen van zwerfvuilkosten aan producenten; (2) de invoer van minimale criteria voor de regeling van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid en (3) de veralgemening van het principe van inzamelformules die het gescheiden aanbieden van recycleerbaar afval stimuleren. Denuo richtte zich in zijn input vooral op punt (3) en in secundaire orde op (2).
Momenteel loopt de adviesfase tussen de goedkeuring in eerste en tweede lezing. Na de goedkeuring in tweede lezing wordt een ontwerp van decreet(swijziging) dan onderzocht door de Raad van State, die normaal binnen de 30 kalenderdagen zijn advies uitbrengt.
Bij dit artikel voegen we de versie van het ontwerp van decreet en de memorie van toelichting, zoals goedgekeurd op 17 juli ll. We nodigen u uit om uw commentaar te bezorgen.
Wat deed Denuo al?
Bij de opmaak (februari-maart 2020) van het ontwerp van decreet gaven we reeds onze opmerkingen door. Bij een tweede versie van het decreet contacteerden we de relevante kabinetten om onze bekommernissen en voorstellen van aanpassing door te geven. Toch blijven er nog zaken die we graag gewijzigd zouden zien en waarop we willen werken – beseffende dat de kans op grote wijzigingen na een goedkeuring in eerste lezing beperkt is. Denuo verbaast zich over het ontbreken van enige stimulans voor recycled content of ecodesign in het Materialendecreet. Het creëren van een afzetmarkt en gemakkelijk te recycleren producten is een belangrijke voorwaarde voor het sluiten van de materialenkringloop. Wat zijn onze concrete vragen?
Artikel 6
toevoegen na “of andere handelingen van nuttige toepassing” : “rekening houdende met het principe van unieke gegevensverzameling.”
ARGUMENTATIE
Ondernemingen werken graag mee aan rapportering om de markt en materialenstromen beter in kaart te brengen, maar de administratieve kost die dit met zich meebrengt, moet tot een minimum beperkt blijven. We rekenen er op dat ook nieuwe beleidsinitiatieven zoals de digitale rapporteringsplannen van de OVAM de planlast niet zullen doen toenemen, maar aangewend zullen worden om de administratieve kosten van Vlaamse ondernemingen te doen dalen. Hiervoor gaan we ook uit van een vlotte informatiedoorstroming tussen de verschillende beheersorganismen (zoals Recupel, Recytyre, Valumat), zodat ondernemingen maar één keer data moeten doorgeven.
Artikel 7
schrapping
ARGUMENTATIE
De formulering die volgt, legt voor ons te veel de nadruk op de verantwoordelijkheid van de IHM en niet op die van de afvalstoffenproducent: “De inzamelaar van afvalstoffen biedt aan de afvalstoffenproducent een inzamelformule aan die de afvalstoffenproducent stimuleert de afvalstoffen zo aan te bieden dat bij de verwerking van afvalstoffen de doelstellingen, vermeld in artikel 4, §2, en de hiërarchie, vermeld in artikel 4, §3, 1°, maximaal kunnen worden toegepast.”
Artikel 11
§1 invoeging nieuw 5° (waarbij huidig 5° een 6° wordt): “De regering kan in de verplichtingen beschreven in artikel 21 §1, 2de lid een onderscheid maken op basis van het feit of de afvalontdoener een huishouden dan wel een bedrijf is. De houder van bedrijfsafval bepaalt zelf en in elke fase van het afvalbeheer van welke operator hij gebruik maakt.”
ARGUMENTATIE
Deze invoeging verduidelijkt de verplichtingen en regels voor natuurlijke personen en rechtspersonen (cfr. art. 21 §1, 2de lid huidig Materialendecreet, o.a. verplichte aanvaarding afvalstoffen, verstrekken van informatie over milieu-impact producten, financiële verantwoordelijkheid inzameling en verwerking afvalstoffen) en is coherent met de bepaling in artikel 4, 5° “Deze definitie doet geen afbreuk aan de toewijzing van verantwoordelijkheden voor afvalbeheer tussen publieke en private actoren;”.
Monopolieposities houden een risico in op verschraling van de markt tot een onderaannemingsmarkt zonder innovatiestimulansen.
Artikel 12
invoeging nieuwe § na §1: “§2 De Vlaamse Regering maakt bij de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid een onderscheid op basis van feit of de ontdoener van het product een huishouden dan wel een bedrijf is. In het kader van de organisatie voor bedrijfsafvalstoffen zijn volgende bepalingen vastgelegd:
1° de markt blijft vrij en elke houder heeft het recht om een operator naar keuze te kiezen. Dit betekent dat commerciële en financiële diensten tussen operatoren vrij blijven;
2° om misbruik van een dominante positie te voorkomen in een situatie waarbij er slechts één organisatie actief is om de verplichtingen in het kader van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid na te komen, mag die organisatie in geen geval een marktdeelnemer zijn, de markt organiseren of een belang hebben in een onderneming die actief is op het gebied van afvalinzameling of -verwerking;
3° de doelstelling voor de producenten moet het opzetten van een financieel ondersteuningsmechanisme zijn, dat de selectieve inzameling ten allen tijde financieel aantrekkelijker maakt dan het beheer van restafval;
4° als bedrijfsafval wordt beheerd door publieke of private actoren, wordt elke actor op dezelfde manier behandeld, zonder enige vorm van discriminatie;
5° alle afspraken moeten eerst onderhandeld worden met de betrokken operatoren in het kader van een regelmatige dialoog tussen alle relevante belanghebbenden, waaronder producenten en distributeurs, private of publieke afvalverwerkers, lokale instanties en maatschappelijke organisaties.”toevoeging van industriële verpakkingen als uitzondering op de regel waarbij 100% kostendekking gegarandeerd moet worden door de producenten (§ 2 – voorlaatste lid)
ARGUMENTATIE
In de Europese Richtlijn 2018/851 wordt duidelijk vermeld in overweging (22) dat de regeling “de mogelijkheid [moeten] verkleinen dat er belangenconflicten ontstaan tussen organisaties die verplichtingen uit hoofde van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid nakomen namens producenten van producten en afvalverwerkers met wie die organisaties een overeenkomst aangaan.” In dezelfde richtlijn wordt ook een regelmatige dialoog tussen alle relevante belanghebbenden gevraagd, hetgeen we toevoegen in 5°.
Denuo vraagt duidelijke afspraken bij de werking van beheersorganismen over: (1) de wijze van overleg met alle betrokken actoren over de essentiële aspecten (onder meer de modelovereenkomsten); (2) de manier waarop opdrachten toegewezen worden, met bijzondere waarborgen voor het respecteren van de vrije en eerlijke mededinging; (3) de onverenigbaarheid tussen de hoedanigheid van het beheersorganisme belast met de uitvoering van de UPV-verplichtingen en de hoedanigheid van operator (rechtstreeks of onrechtstreeks). De meeste beheersorganismen beschikken over een bijzonder sterke cashpositie.
Geef uw mening
We kijken uit naar uw feedback. Mogen we vragen concrete tekstvoorstellen te bezorgen, zodat het duidelijk is wat precies bedoeld wordt. Deadline is 14/9.