Procedure AVR-OVAM Hof van Beroep geeft brede interpretatie gemengd stedelijk afval
Waarover gaat het?
Op 18 augustus 2025 heeft het Hof van beroep van Antwerpen uitspraak gedaan in de zaak AVR-OVAM. U kan het volledige arrest hier lezen.
AVR exploiteert in Rotterdam een afvalverbrandingsinstallatie voor niet-gevaarlijke afvalstoffen. Een aantal Belgische ondernemingen voeren afvalstoffen uit naar AVR volgens de EVOA waarvoor de OVAM de kennisgevingen goedkeurde.
De OVAM heeft klanten van AVR aangeschreven met de melding van een tijdelijke uitvoerstop van brandbaar afval op 18 augustus 2022 en 8 september 2022. De reden daarvan bestond in tekorten aan aanvoer van afval naar de Vlaamse afvalverbrandingsinstallaties. Deze uitvoerstop is enkele malen verlengd.
De OVAM verwees naar gemengd stedelijk afval van particuliere of gemengde oorsprong en waarbij de toestemmingen van de kennisgevingen (van de uitvoer) als voorwaarde opnamen dat de OVAM de uitvoer van afval (tijdelijk) kon stopzetten indien de Vlaamse verwerkingscapaciteit onvoldoende zou worden benut.
Wat heeft het Hof vastgesteld?
In eerste aanleg heeft AVR gelijk gekregen, maar nu heeft het Hof van beroep van Antwerpen op 18 augustus 2025 de OVAM gelijk gegeven. Uit het arrest van het Hof:
Wanneer de afvalstromen gedurende het proces van inzameling (dit is: ophaling, opslag en sortering – artikel 3, 10 KRA) niet strikt gescheiden verlopen is er sprake van gemengd stedelijk afval waarop de uitzonderingsmaatregel van artikel 3, vijfde lid EVOA van toepassing is. Deze bepaling is van toepassing op alle gemengd stedelijk afval waarin gemengd stedelijk afval van huishoudelijke oorsprong zit, of nog: zodra een vermenging van de oorsprongen (particuliere huishoudens en bedrijfsafval) kan optreden laat artikel 3, vijfde lid EVOA toe maatregelen te nemen, zoals ten deze het geval is geweest, omdat die overbrengingen zoals ten deze voor nuttige toepassing, vallen “onder dezelfde bepalingen als overbrengingen van voor verwijdering bestemd afval”.
Krachtens artikel 11, a) EVOA kan de bevoegde overheid, in casu OVAM, bezwaren maken tegen zulke overbrengingen die in strijd zijn met “maatregelen die op communautair en nationaal niveau zijn genomen om de beginselen van nabijheid, voorrang voor nuttige toepassing en zelfvoorziening” hun beslag te geven.
De uitvoerstopp die OVAM ter kennis bracht bij haar verschillende mails in 2022 vindt dus haar rechtsgrond in de samenlezing van de artikelen 11, a) en 3, vijfde lid EVOA. Artikel 16.1 KRA bevestigt dit: “De lidstaten nemen passende maatregelen, in samenwerking met andere lidstaten wanneer zulks noodzakelijk of raadzaam is, om een adequaat geïntegreerd netwerk tot stand te brengen van afvalverwijderingsinstallaties en van installaties voor de nuttige toepassing van gemengd stedelijk afval, ingezameld van particuliere huishoudens, ook indien die inzameling dergelijk afval van andere producenten omvat, rekening houdend met de beste beschikbare technieken”.
OVAM maakt geen extensieve toepassing van een uitzonderingsmaatregel die strikt moet geïnterpreteerd worden. Zij past alleen correct de uitzondering toe, nu die van toepassing is op gemengd stedelijk afval van gemengde herkomst, zoals uitdrukkelijk in artikel 3, vijfde lid EVOA is vermeld.
AVR verwart onterecht de aard en samenstelling van gemengd stedelijk afval met de herkomst ervan. Aangezien geen bewijs kan worden ontwaard dat de afvalstromen van naar aard en samenstelling vergelijkbaar gemengd stedelijk afval strikt gescheiden verlopen, zodat zich geen vermenging voordoet van de beide soorten herkomst (bedrijven en particuliere huishoudens) is een beroep op de uitzonderingsmaatregel van artikel 3, vijfde lid junctor artikel 11, a) EVOA terecht en niet foutief.
De voorwaarden betreffende uitsluiting van gemengd stedelijk afval van huishoudelijke herkomst en de strikte scheiding van de inzameling (ophaling, opslag en sortering) ervan zijn in de toelatingen vanwege OVAM op de betrokken kennisgevingen van de klanten van AVR expliciet vermeld, zodat zij ervan kennis had(den). Zij hebben die niet bestreden.
Bovendien merkt het hof op dat ondanks het gebruik van de bewoordingen “uitvoerstop” en “uitvoerverbod”, uit de mails van OVAM eveneens blijkt dat zij “vraagt” en “verzoekt” de uitvoer te beperken en adviseert geen gebruik te maken van de verleende exportvergunningen. Enig dwingend karakter ontbreekt aan deze maatregelen, nu er ook van enige sanctionering geen gewag wordt gemaakt.