Vlaamse beleidsnota omgeving gaat aan de slag met Denuo's prioriteiten

Ambitieuze beleidsnota voor de afval- en recyclagesector
Op 15 november hebben de verschillende Vlaamse ministers hun beleidsnota per beleidsdomein ingediend. Deze nota's zijn heel belangrijk want ze maken de vaak vage beloftes uit het regeerakkoord een stuk concreter. Dankzij de beleidsnota weten we nu veel beter wat minister Brouns de komende vijf jaar in petto heeft voor onze sector. Met veel trots kunnen we dan ook vaststellen dat een aantal essentiële punten uit ons memorandum zijn overgenomen, waaronder:
Wegwerken van drempels voor gebruik grondstofverklaringen.
In overleg met de sector de afvalheffing omvormen tot een transparante set basistarieven en een deel van de inkomsten worden geherinvesteerd in preventie en duurzame inzamel- en recylagetechnieken.
Hier houden en aantrekken van recyclagebedrijven.
Gedeelde visie met de andere gewesten verkennen op safe sinks voor niet-recycleerbare stromen en recyclageresidu's.
Raadpleeg de volledige beleidsnota.
Wat staat er letterlijk in de beleidsnota over afval?
Via het intra-Belgische platform Circulaire Economie leggen we prioriteiten vast, samen met de andere gewesten en het federale niveau. We volgen de ontwikkelingen rond circulaire economie op Europees niveau actief en nauw op, met het oog op de aangekondigde Circular Economy Act.
We evalueren in samenspraak met de ministers bevoegd voor Economie en Innovatie en voor Sociale economie de werking van [Vlaanderen Circulair] met als uitgangspunten de creatie van meerwaarde voor onze ondernemingen, met inbegrip van de sociale economie, en lokale besturen en de impact op het sluiten van de materialenkringloop. Vlaanderen Circulair werkt als Vlaams partnerschap rond een beperkt aantal prioriteiten over de bestuursniveaus heen, complementair met het reguliere beleid.
Ik ondersteun in 2025 ook de Werkagenda voor Chemie & Kunststoffen. Hier ligt de klemtoon op verbinding tussen de afvalsector en kunststofproducenten, living labs voor nieuwe businessmodellen en heldere wetgeving. Ik bewaak hierbij ook de link met de Green Deal Duurzame zorg.
De door de Vlaamse overheid opgezette initiatieven inzake circulaire aankopen en andere voorbeeldfuncties zijn belangrijk om onze doelstelling te helpen behalen.
We maken werk van een integrale Vlaamse strategie ter preventie van overmatig grondstoffen- en materiaalverbruik als onderdeel van de transitie naar een circulaire economie. Circulaire principes moeten ook gerespecteerd worden in andere beleidsplannen en -domeinen. Europese regelgevingen zoals de Ecodesign Products Regulation (ESPR) en de Critical Raw Materials Act (CRMA) zijn daarbij richtinggevend.
In uitvoering van de CRMA leveren we onze bijdrage aan het opstellen van een nationaal programma, met onder meer als doel om tegen 2030 minstens 25% van de nodige kritieke grondstoffen via recyclage te bekomen.
Tegen 2030 willen we in Vlaanderen het huishoudelijke restafval met 30% reduceren tot 100 kg per inwoner, en een vergelijkbare reductie van 30% voor het gelijkaardig bedrijfsrestafval realiseren. Daarvoor voeren we het Lokaal Materialenplan (LMP) uit.
We zetten de nodige stappen om het interregionale samenwerkingsakkoord rond uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV) af te ronden. Dit biedt het kader voor alle UPV-stromen en voor de uitwerking van nieuwe UPV-regelingen, bijvoorbeeld voor textiel en eventueel meubels en luiers.
In de systemen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV) bedden we preventiestrategieën sterker in. Inzake hergebruik is een belangrijke rol weggelegd voor de sociale economie (bijvoorbeeld kringloopcentra voor productreparatie). Het uitvoerende werk kan gestart worden met een uitvoerende ISA voor de stromen AEEA, afvalolie en matrassen. Voor de stroom textiel wordt in 2025 het voorbereidende werk richting een uitvoerend ISA verdergezet, rekening houdend met het herzieningsvoorstel voor de Kaderrichtlijn Afval dat eveneens een UPV voor textiel invoert. We implementeren de Verordening Batterijen en volgen de werkzaamheden voor een nieuwe Verordening Afgedankte Voertuigen op. Naar het voorbeeld van Frankrijk ijveren we voor een Europees verbod op de vernietiging van onverkochte, herbruikbare, herstelbare, recycleerbare en recupereerbare goederen.
We drijven de inspanningen op voor de handhaving op de selectieve inzamelplicht bij bedrijven en de verplichtingen van inzamelaars en verwerkers van bedrijfsrestafval verder in de keten. We zorgen ook voor een set van voorwaarden waaraan het beheer van huishoudelijk (rest)afval moet voldoen opdat het afval verbrand mag worden.
Materiaalstromen worden in kaart gebracht via datasystemen en digitale informatie-uitwisseling. Hiermee worden ook de verplichte Europese rapportages gevoed. MATIS (Materialeninformatiesysteem) wordt stapsgewijs uitgebouwd. Na de ontwikkeling van modules voor het opvragen van gegevens bij lokale besturen, IHM’s en verwerkers, worden de ingezamelde gegevens in 2025 verder ontsloten voor de betrokkenen en wordt de kwaliteitscontrole van de gegevens geautomatiseerd.
Voor digitale identificatieformulieren ligt de focus in 2025 op het uitrollen van de interoperabiliteit en het voorbereiden van de uitwisseling met de overheid.
Om de doelstellingen uit het Vlaams Energie- en Klimaatplan (VEKP) te halen, zijn ook andere reststromen die nog onvoldoende gerecycleerd worden, belangrijk. Daarom stimuleren we selectief slopen en bouwen we stelselmatig de uitzonderingen op de selectieve inzameling van bouw- en sloopafval af.
Om het gebruik van recyclaten te stimuleren ijveren we Europees voor een kader dat het gelijke speelveld tussen primaire en secundaire grondstoffen garandeert. We evalueren [in 2026 onder leiding van de OVAM] de procedure van grondstofverklaringen en werken eventuele drempels weg, met aandacht voor de aanwezigheid en verspreiding van zorgwekkende stoffen.
We hervormen de afvalheffing tot een transparante set van enkele basistarieven die toenemen in de tijd, en doen dit in overleg met de betrokken sectoren. Bij elke stroom komt een voorspelbaar kantelpunt dat recyclage structureel interessanter maakt dan verbranden of storten. Elk jaar herinvesteren we bovendien een aandeel van de inkomsten uit de afvalheffingen in preventie en duurzame inzamel- en recyclagetechnieken.
We houden recyclagebedrijven hier en trekken nieuwe recyclagebedrijven aan via eenvoudige procedures en verminderde administratieve lasten.
We onderzoeken de samenwerking rond end-of-waste-beslissingen met andere regio’s en landen.
Samen met de federale overheid trachten we de illegale export van afgedankt elektronisch materiaal en afgedankte voertuigen effectiever aan te pakken.
We blijven beheersorganismen incentiveren om hun middelen in te zetten ter ondersteuning van lokale recyclagebedrijven en inzetten op de recyclage van medisch afval.
Zo houden we waardevolle grondstoffen in Vlaanderen en kunnen we de tewerkstellingsgraad van lang- en kortgeschoolde profielen in de Vlaamse circulaire economie tegen 2030 fors doen toenemen.
Een belangrijk obstakel bij de recyclage van afvalstromen is de mogelijke aanwezigheid van asbest en andere zorgwekkende stoffen. We verfijnen daarom de nodige leidraden, normenkaders en handelingskaders voor stromen als bodemverbeterende middelen, bouwstoffen, kunststoffen, rubber en textiel om zekerheid te geven aan de gebruiker en zo recyclage aan te moedigen. We maken producenten mee verantwoordelijk voor het beheer van zorgwekkende stoffen.
We verkennen de mogelijkheid om met de andere gewesten een gedeelde visie op safe sinks voor recyclageresidu’s en niet-recycleerbare stromen zoals asbest te ontwikkelen, en zo economische argumenten voor de circulaire economie in Vlaanderen verder te versterken.
We werken toe naar een asbestveilig Vlaanderen tegen 2040 met het Actieplan Asbestafbouw en koppelen dit aan de renovatiegolf die nodig is voor de klimaatdoelstellingen en woningkwaliteit. Een volgende evaluatie van het plan is voorzien in 2027.
We zorgen voor een veilige, selectieve inzameling en verwerking van asbestafval en asbestverdacht afval, en zetten daarbij ook in op het faciliteren van innovatieve recyclagetechnieken.
Met de uitvoering van het Lokaal Materialenplan zal de hoeveelheid brandbaar afval afnemen, waardoor een gefaseerde afbouw van verbrandingscapaciteit moet volgen. Hiervoor werken we voor en in overleg met de sector een afwegingskader met criteria uit, dat de nodige inzichten verschaft om te beslissen over afbouw of verdere investeringen. Vanuit haar regierol zal OVAM afvalintercommunales toeleiden naar en begeleiden bij sluiting, omvorming en vervanging van verouderde verbrandingsinstallaties om te komen tot meer performante installaties met goede multimodale ontsluiting en valorisatie van de energie-inhoud en afgevangen CO2.
Mid-term evaluatie Lokaal Materialenplan in 2027: de evaluatie kan alle aspecten van het plan onder de loep nemen, maar zal zeker bijzondere aandacht besteden aan de mate waarin de restafvaldoelstellingen binnen bereik zijn. We formuleren bijkomende acties als de doelstellingen niet op koers zitten.
De geschatte inkomsten uit de milieuheffingen met betrekking tot het voorkomen en het beheer van afvalstoffen worden verhoogd met 2.346 keuro tot 70,5 miljoen euro [in 2025].
Wat is verder nog interessant voor onze sector?
Geen tijd om alle 77 pagina's door te nemen? Dit zijn de belangrijkste paragrafen uit de beleidsnota die ook voor onze sector belangrijk kunnen zijn:
Vermindering van regeldruk en administratieve lasten stellen we steeds voorop, waarbij Vlaamse regelgeving wordt afgestemd op het Europese kader. We pleiten voor een realistisch beleid en roepen het Europese niveau op om rekening te houden met de unieke eigenheid van Vlaanderen. Voor investeringen in de cruciale transitie naar verduurzaming zijn vergunningen nodig, waarvoor in de toekomst nog meer dan nu een integrale milieubenadering vereist zal zijn.
We zorgen ervoor dat economische activiteiten die een unieke rol spelen als motor voor de Vlaamse welvaart, zich (verder) kunnen ontwikkelen in evenwicht met de leefomgevingskwaliteit. We faciliteren de meervoudige transities waar de zeehavens voor staan op vlak van mobiliteit, energie, ruimtegebruik, grondenbeleid en circulariteit, en het formuleren van structurele antwoorden op de effecten van de klimaatwijziging zoals verdroging en verzilting waar zij mee geconfronteerd worden.
We zorgen voor kennisopbouw en -deling met economische actoren en het middenveld met oog op het kunnen toepassen van nieuwe Europese duurzaamheidsregelgeving en -rapporteringsverplichtingen. We hebben hierbij bijzondere aandacht voor de kmo’s. Het is het standpunt van de Vlaamse regering dat de richtlijnen zo moeten omgezet worden dat de administratieve last tot een minimum wordt beperkt.
We werken in samenspraak met de lokale besturen een operationeel locatiebeleid uit voor economische activiteiten met specifieke locatievereisten of met grote ruimte- en energievraag. In en rondom onze economische knooppunten creëren we op een efficiënte manier ruimte voor gebiedseigen ontwikkeling. Het is belangrijk dat bij ontwikkelingen aan en nabij waterwegen, ook het realiseren van de modal shift als criterium wordt meegenomen, eveneens in functie van watergebonden terreinen.
De domeinoverschrijdende samenwerking in de hub Zorgwekkende Stoffen (ZS) zetten we verder en optimaliseren we. We maken samen op basis van de conceptnota ‘visie zeer zorgwekkende stoffen’ en de gezondheidsdoelstelling milieugezondheidszorg werk van een beleidsplan ZS.
Het PFAS-actieplan en het beleidsplan Zorgwekkende Stoffen worden geconcretiseerd in acties om de veiligheid en gezondheid van de burgers te beschermen op een manier die ruimte blijft bieden aan de realisatie van industriële projecten. Daarbij zetten we in op een gebiedsspecifieke en kostenefficiënte risicogebaseerde aanpak, die een werkbaar evenwicht vormt tussen bescherming van mens en milieu, bescherming van strategische sectoren, milieuwinst en maatschappelijk verantwoorde uitgaven. Vanuit dezelfde principes geven we een Vlaams-breed Handelingskader PFAS vorm. Dit doen we in overleg met de ministers bevoegd voor Mobiliteit, Openbare werken en Havens en voor Welzijn. De bedoeling is te komen tot een gezamenlijk plan van aanpak met korte- en langetermijnmaatregelen voor een duurzame, efficiënte, rechtszekere en gedragen gebiedsspecifieke aanpak voor de omgang met PFAS in Vlaanderen bij de uitvoering van grondwerken en bemaling met het oog op een meer duurzaam, werkbaar en stabiel kader zonder in te boeten op doelstellingen inzake gezondheid
We voeren het door de Vlaamse Regering goedgekeurde actieplan voor dioxines en PCB’s uit.
We ontwikkelen binnen de geldende Europese kaders strategieën om de industriële uitstoot van ZS verder te reduceren door het aanscherpen en optimaliseren van de regelgeving zodat deze nog robuuster en beter handhaafbaar wordt in het licht van steeds voortschrijdende inzichten m.b.t. ZS. Daarnaast voeren we een reductiebeleid op sector- en bedrijfsniveau. We zetten in op rechtszekere, technisch en economisch haalbare en op aanvaardbare risico’s gebaseerde normen voor zorgwekkende stoffen die bedrijven, projecten en bouwwerken doorgang laten vinden zonder het milieu en de volksgezondheid in het gedrang te brengen. Hierbij wordt ook de kosten-baten-verhouding in overweging genomen.
We voorzien in een monitoring van de omgeving van bedrijven waarvan de uitstoot het respecteren van Europese normen en richtlijnen in gevaar brengt of een duidelijke milieu- of gezondheidsimpact heeft. We houden onder andere rekening met de voorwaarden ter zake die de herziene RIE-richtlijn (zie OD 3.4 in het vooruitzicht stelt.
We ontwikkelen betrouwbare meetmethoden en optimaliseren verder de immissiemeetnetten voor zorgwekkende stoffen en zorgen voor de nodige kennisopbouw d.m.v. een transversaal en afgestemd ZS onderzoeksprogramma.
We evalueren de werking van het kenniscentrum innovatieve saneringstechnieken en zorgen voor een optimale afstemming met de initiatieven binnen het wetenschaps- en industrieel innovatiebeleid waarbij we ook aandacht vragen voor innovaties die zorgwekkende stoffen kunnen vervangen.
We focussen deze beleidsperiode op de pooling van middelen voor de aanpak van verontreinigingen met PFAS en zorgwekkende stoffen. Het principe ‘de vervuiler betaalt’ blijft de basis, zodat Vlaamse middelen gebundeld blijven en over de jaren heen geprogrammeerd kunnen ingezet worden. Parallel blijven we inzetten op de oprichting van een sectorfonds ter financiering van de schade door en voor de aanpak van PFAS en zorgwekkende stoffen, in samenwerking met de andere gewesten en de federale overheid. De sanering van sites waar met PFAS-houdend blusschuim werd gewerkt, in het kader van openbare dienstverlening en veiligheid, zien we daarbij als prioriteit. Daarnaast hanteren we een risicogebaseerde prioritering op basis van milieu- en gezondheidsrisico’s.
We voorzien in maatregelen en acties waarmee we een trendbreuk kunnen realiseren richting minder omgevingslawaai, minder geurhinder en minder lichtverontreiniging. We geloven daarbij sterk in innovatieve technologische oplossingen als motor van verandering. We pakken de bronnen van onaanvaardbare hinder generiek aan via regelgeving en het vergunningenbeleid.
In functie van rechtszekerheid en een omgevingsbeleid dat oplossings- en klantgericht werkt en kansen creëert, zetten we een beweging in gang om met respect voor de gehele beleidscyclus, een einde te maken aan het ondoorzichtig kluwen dat het omgevingsrecht voor veel gebruikers is geworden. Het doel is het mogelijk maken van welvaartscreatie, beleidsondersteunende investeringen en kwalitatieve realisaties op het terrein binnen een redelijke termijn.
We ontwikkelen tegelijkertijd ook een lerend netwerk waarin publieke en private actoren elkaar ondersteunen in het toepassen van doeltreffende instrumentencombinaties en het detecteren van mogelijkheden en knelpunten bij instrumenten. Het verminderen van regeldrift en administratieve lasten stellen we altijd voorop bij het uittekenen van het (omgevings)beleid.
We zorgen ervoor dat innovatie echt kan groeien en gewenste ontwikkelingen uitgetest kunnen worden door een breder gebruik van het concept regelluwe zones en van experimentenwetgeving.
We maken werk van meer doelregelgeving binnen een landschap dat door middelregelgeving wordt gedomineerd. Het principe daarbij is dat regelgeving meer moet focussen op het maatschappelijk- of omgevingsdoel zodat actoren meer vrijheid krijgen in de inzet van de middelen om het doel te bereiken. Daarbij wordt technologieneutraliteit vooropgesteld . De selectie van de te wijzigen stukken regelgeving binnen het omgevingsrecht zal ook putten uit de resultaten van de proeftuin ondersteund via het GOBAREG-project (Legitieme Doelregelgeving in een Hybride Multi-Actor Regime – project gefinancierd via FWO-SBO).
Rechtszekere, robuuste vergunningen zijn een prioriteit. Daarom stelt de Vlaamse Regering een gemengde commissie aan met experts, de overheid, academische wereld en juridische sector (Raad voor Vergunningsbetwistingen en Raad van State), die binnen een jaar na de start van deze legislatuur een advies verleent met concrete maatregelen voor de opmaak van een actieprogramma door de Vlaamse Regering.
De Vlaamse overheidsdiensten maken blijvend werk van zo gericht mogelijke, kwaliteitsvolle advisering en zorgvuldige onderbouwing van vergunningsbeslissingen. We bakenen beter af waarover iedere instantie advies uitbrengt (zie hoger) en zorgen voor oplossingsgerichte adviezen en daarenboven voor doorstroming van expertise en informatie tussen administraties. De overheid moet spreken met 1 stem naar de Vlaming en ondernemingen en levert geen tegenstrijdige adviezen meer af.
We actualiseren VLAREM, gebaseerd op onder andere BBT-studies en Europese BBT-conclusies. Hiervoor vertrekken we vanuit een aanpak die een vlottere integratie van BBT-studies in VLAREM realiseert met als doel een hoog niveau van bescherming van mens en milieu te garanderen en vergunningsverlening tegelijkertijd efficiënt, rechtszeker en transparant te laten verlopen. We stemmen hierbij af met de relevante stakeholders binnen en buiten de Vlaamse Overheid.
De Vlaamse Regering onderschrijft de uitgangspunten van het principe van no gold-plating. De Vlaamse overheid legt zelf geen hogere standaarden, doelen of normen bij de omzetting van Europese of andere internationale regelgeving naar Vlaamse regelgeving om de Vlaamse economie en concurrentiepositie niet te ondergraven. Vlaanderen beslist zelf welke instrumenten nodig zijn en welke het best geschikt zijn in onze context om de doelstellingen te bereiken.
We zullen blijven aandringen op een kordaat Europees beleid inzake zorgwekkende stoffen (onder andere PFAS) op voorwaarde dat er voor de maatschappelijk noodzakelijke toepassingen een gelijkwaardig en mens- en milieuvriendelijk alternatief voorhanden is. We nemen daarvoor alle relevante lopende EU-processen te baat.
Rond circulaire economie en duurzaam gebruik van hulpbronnen zien we verder veel mogelijkheden voor preventie, hergebruik en recyclage van afvalstoffen en materialen. Naar het voorbeeld van Frankrijk ijvert Vlaanderen voor een Europees verbod op de vernietiging van onverkochte maar nog herbruikbare, herstelbare, recycleerbare of recupereerbare goederen. We bewaken een level playing field tussen primaire en secundaire grondstoffen en we werken binnen Europa aan een eenvormig kader in functie van export.
We investeren bovendien in beleidsevaluatie (zie bijlage) onder meer vanuit de principes van prestatie-geïnformeerd begroten. We evalueren mee het beleid (vooraf, tussentijds en achteraf) en de beleidsprocessen van de overheid in ruime zin met inbegrip van het huidig instrumentarium en de subsidiekaders. We voorzien ook mee in de uitvoering, opvolging en evaluatie van het VITO-beheersreglement.
De (Vlaamse) overheid kan de omgevingsuitdagingen niet alleen oplossen. We moeten samenwerken (SD2) tussen en met lokale of provinciale overheden, middenveld, organisaties, sectoren, bedrijven en burgers. Sterke partnerschappen zijn essentieel. We activeren en ondersteunen via kennis- en informatiedeling, tools en samenwerkingsverbanden. Impactgedreven subsidies, Green deals en Gebiedsdeals vormen daarbij hefbomen. Om iedereen mee te krijgen zijn een motiverend narratief en een beleid gebaseerd op wetenschappelijke inzichten essentieel. Zowel doemdenken als negationisme zetten niet aan tot concrete actie.
Zonder handhaving is een ernstig omgevingsbeleid niet mogelijk, al is dit nooit een doel op zich. We voeren de gewestelijke prioriteiten en doelstellingen van het meerjarenprogramma Omgevingshandhaving met eenheid van visie uit, evalueren en vernieuwen ze waar nodig. Door een optimale inzet van handhavingsinstrumenten en strategieën willen we het nalevingsgedrag verbeteren. We investeren daartoe in een risico gebaseerde aanpak voor de omgevingshandhaving. We laten de prioriteiten en doelstellingen van het meerjarenprogramma doorwerken in de operationele omgevingshandhavingsplannen, monitoren de voortgang en boeken concrete resultaten op het terrein.
Circulair landgebruik en een geïntegreerde bodemaanpak zijn cruciaal in de strategie. Daarom werken we samen met belanghebbenden aan gebiedsgerichte benaderingen om bodemkwaliteit bij ruimtegebruik te integreren, bijvoorbeeld door tijdige afstemming bij grondverzet en de integratie van bodemzorg in projecten, zoals bij het terug in omloop brengen van brown- en blackfields via brownfieldconvenanten, en bij stortplaatsen. We verspreiden en versterken de kennis over natuurgebaseerde oplossingen voor bodembeheer.
We werken een aanpak uit op maat van de sectoren. We voeren het goedgekeurde actieplan rond dioxines voor schrootbedrijven met shredderinstallaties uit en werken een aanpak uit rond zware metalen nabij metaalbedrijven en de afvalverbrandingssector. We maken daarbij de vergelijking met praktijken in de ons omliggende landen. We brengen potentieel vervuilende sectoren verder in kaart door middel van uitgebreide screeningscampagnes uitgevoerd door VMM.
Voor bepaalde bedrijfssectoren is een structurele monitoringsverplichting van de omgevingslucht aangewezen. We vergelijken daarbij met praktijken in omringende landen en leggen geen meer verregaande verplichtingen op dan Europees of internationaal is afgesproken. Om de bedrijven te ontzorgen krijgt de VMM de taak om onafhankelijke metingen uit te voeren in opdracht van bedrijven. Om de administratieve last daarbij te verlagen werken we een retributiesysteem voor industriële luchtkwaliteitsmonitoring uit waarbij de VMM de kwaliteit van de metingen bewaakt. We onderzoeken ook waar synergie-effecten uit bedrijfsmonitoring te creëren zijn voor een winwin zonder bijkomende administratieve lasten.
We verzekeren de tijdige omzetting van de nieuwe richtlijn Stedelijk afvalwater waarbij we ons niveau van ambitie afstemmen op de ambities en doelen die worden vastgelegd in de stroomgebiedbeheerplannen, en dit binnen de beschikbare middelen. Invulling geven aan de uitgebreide productenverantwoordelijkheid voor het recupereren van de kosten voor de zuivering van medicijnresten en cosmeticarestanten uit ons afvalwater vormt hier de grootste uitdaging. Hiervoor stuur ik aan op een samenwerking met de andere gewesten.